donderdag 6 maart 2014

Sociaal energiebeleid: over de BTW-verlaging, groene energie en nationalisatie

Eind november 2013 besloot de federale regering om van 1 april 2014 tot en met eind 2015 de BTW op elektriciteit te verlagen van 21% naar 6%. Vooral vice-premier Johan Vande Lanotte had aangedrongen op zo’n verlaging, hoewel hij er zelf niet de uitvinder van was: de linkse partij PVDA beschouwt het al jaren als een fundamenteel onderdeel van haar energiebeleid. De regering was wél innovatief in haar redenen om de BTW-verlaging door te voeren: het zou er voor zorgen dat de overschrijding van de spilindex, voorzien voor juni 2014, 6 maanden zou kunnen worden uitgesteld tot december 2014, en stevige besparing op ambtenarenlonen, en vooral – nog belangrijker – een cadeau voor de bedrijven.

Effecten van de maatregel voor een gemiddeld gezin
Een gemiddeld Belgisch gezin verbruikte, volgens distributienetbeheerder Eandis, in 2012 zo’n 3.500 kilowattuur elektriciteit, en betaalde daar zo’n 837€ per jaar voor[1]. In dat bedrag zit zo’n 145€ BTW (aan een BTW-tarief van 21%). Een BTW-verlaging naar 6% zou dit gemiddelde gezin dus een besparing opleveren van een kleine 104€ op jaarbasis. Dit uiteraard op voorwaarde dat de elektriciteitsprijzen in dezelfde periode niet wijzigen, én dat het elektriciteitsverbruik gelijk blijft.

Tegelijkertijd had datzelfde Belgische gezin, volgens de cijfers van het Huishoudbudgetonderzoek van de FOD Economie, in 2012 zo’n 33.936€ netto-inkomsten[2]. Een indexering van dit bedrag zou het gezin zo’n 678,72€ extra inkomsten opleveren per jaar. Het uitstellen van de indexsprong in 2014 met 6 maanden betekent een koopkrachtverlies van 339,36€, ruim drie keer meer dan de besparing op BTW op elektriciteit!

Maar daarmee zijn we er nog niet: de expertengroep die de Nationale Bank bijeenbracht om in opdracht van de regering de maatregel te bestuderen, berekende dat de maatregel ook de komende jaren telkens het overschrijden van de spilindex zou uitstellen: 3 maanden uitstel in 2015, en telkens 2 nogmaals twee maanden voor 2017 en 2018[3]! Dit wil zeggen dat, bij gelijke inkomsten en energieprijzen, de maatregel de gezinnen in 2015 nogmaals 169,68€ doet verliezen, en telkens 113,12€ in de daaropvolgende jaren!
Bovendien is de BTW-verlaging door de regering voorlopig aangekondigd als een tijdelijke maatregel, die eind 2015 opnieuw zou worden geëvalueerd, en eventueel terug zou kunnen worden ingetrokken. Maar zelfs indien de maatregel blijft bestaan, zorgt ze voor een stevige achterstand voor de index, die de komende jaren niet meer wordt ingehaald. De meerderheid van de gezinnen verliest dus koopkracht, in plaats van er op te winnen.

Ook voor de openbare financiën draait de maatregel niet gunstig uit. Verlagen van de BTW zorgt voor minder inkomsten voor de overheid. De regering meende dat deze minderopbrengst zou kunnen worden opgevangen door minder uitgaven op ambtenarenlonen, en doordat lagere loonkosten meer jobs, en dus meer belastingen zouden opleveren. Ook op dat vlak moest de Expertengroep van de Nationale Bank de gevoelens enigszins temperen: daar waar de regering in eerste instantie sprak van de creatie van 15.000 nieuwe jobs door de maatregel, schatten de Experten dat slechts 7.930 nieuwe banen konden verwacht worden. We kunnen uiteraard nog enkele kritische kanttekeningen maken bij het idee dat lagere lonen zorgen voor meer jobs, een veronderstelling die zeer twijfelachtig is als we kijken naar alle lastenverlagingen van de voorbije jaren, maar zelfs àls het waar is, rekende de Nationale Bank voor dat de BTW-verlaging in 2014 een positief effect zal hebben op de overheidsfinanciën van 52 miljoen € voor 2014 (vooral door lagere ambtenarenlonen), maar dat dit in 2015 omslaat naar een negatieve impact van maar liefst 526 miljoen €, en gemiddeld zo’n 350 miljoen € per jaar voor de jaren 2016, 2017 en 2018![4]

Wie wint er dan wel? In de eerste plaats: de bedrijven. Met een loonmassa in de private sector van zo’n 135 miljard €, zou de theoretische winst van het uitstellen van de automatische indexering van de lonen de bedrijven zo’n 1,35 miljard kunnen opleveren. Echter, doordat de manier waarop er met de loonindexering in de privé wordt omgegaan sterk afhankelijk is van sector tot sector, is de uiteindelijke opbrengst moeilijk te berekenen: de regering sprak in de pers zelf van zo’n 500 miljoen €[5]: een stevig cadeau voor het patronaat, betaald door de gezinnen en besparingen op publieke uitgaven!

BTW is asociale maatregel
Socialisten beschouwen de zogenaamde “Belasting over de Toegevoegde Waarde”, BTW, als een asociale vorm van belasting. Het is een belasting die immers telkens de eindverbruiker van een goed treft, meestal de gewone bevolking. Bedrijven recupereren de BTW die ze betalen, het is voor hen dus geen kost die van de winst moet worden afgetrokken. Bovendien is de BTW, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de bedrijfsvoorheffing die men op een arbeidsinkomen betaalt, niet gedifferentieerd op basis van de hoogte van het inkomen: door telkens dezelfde aanslagvoet te heffen, weegt deze belasting zwaarder door voor lage inkomens dan voor de hogere inkomens. Het solidariteitsmechanisme “de sterkste schouders dragen de zwaarste lasten” is niet van toepassing op de BTW.

Daarom ook zijn socialisten principieel voor de afschaffing van de BTW. Echter, vandaag vormt de BTW één van de belangrijkste inkomstenbronnen voor de overheid: 26,6% van alle fiscale inkomsten, of 26,7 miljard €, kwam in 2013 voort uit BTW, enkel de bedrijfsvoorheffing (belasting op arbeidsinkomen) deed beter met 40,8% van de fiscale inkomsten. Ter vergelijking: de bedrijven in ons land droegen datzelfde jaar slechts 12,2 miljard € bij aan de schatkist, een luttele 12,1%![6]

Het afschaffen van de BTW kan dus niet zonder alternatief. De werkende bevolking draagt in België relatief al bijzonder veel bij aan de overheidsfinanciën: we moeten dus in de eerste plaats kijken hoe de gigantische winsten en rijkdommen die de 1% rijksten in ons land bijeenschrapen kunnen gemobiliseerd worden om te investeren in degelijke openbare diensten. Anders zal het schrappen of verlagen van de BTW een enorme besparingsoperatie op alle openbare diensten én de sociale zekerheid inluiden[7].

Net zoals bij de discussie over een belasting op grote fortuinen of op de superwinsten van de bedrijven, raakt de discussie over het afschaffen van de asociale BTW meteen aan de grenzen van wat mogelijk is binnen het kapitalisme. Zolang de productiemiddelen en het grootste deel van de rijkdommen die ter wereld worden geproduceerd in handen blijven van een absolute minderheid, zal die minderheid al haar macht en invloed gebruiken om elke poging dat te wijzigen tegen te werken. Een fiscale hervorming leidt dus meteen tot de discussie rond de nationalisatie van de financiële sector, de controle op financiële transacties, en het beslissingsrecht van wat er met de winsten en rijkdommen in de maatschappij moet gebeuren.  

Energieprijzen en prijscontrole
Op die manier kunnen we ons ook de vraag stellen of een verlaging van de prijs van elektriciteit wel moet gebeuren door het deel van de prijs dat naar publieke opbrengsten gaat te verlagen? Wat met de gigantische winsten en kosten die worden doorgerekend door de elektriciteitsproducenten en de distributeurs? Wat met de chantage die bedrijven zoals Electrabel gebruiken bij discussies rond prijzen of nucleaire energie?

Eén ding is immers duidelijk: de energieprijzen blijven, de maatregelen van de regering rond prijscontrole ten spijt, veel te hoog, en steeds meer gezinnen slagen er niet meer in om de energierekening voor basisbehoeften als warm water, verlichting, verwarming of een koelkast te betalen. In 2012 werden meer dan 80.000 gezinnen door hun elektriciteitsmaatschappij aan de deur gezet wegens wanbetalingen, zij krijgen nu het hogere tarief van de netwerkverdeler aangerekend. Nog eens 106.000 gezinnen moesten een afbetalingsplan aangaan om hun factuur te betalen[8]. In Vlaanderen werd bij zo’n 44.000 gezinnen een budgetmeter voor de elektriciteit geplaatst, in Wallonië gaat het zelfs om 112.000 gezinnen[9]! In Brussel bestaat dit systeem niet, en kan een elektriciteitsleverancier zijn klanten veel moeilijker dumpen, maar dit wil niet zeggen dat ook daar de energierekening voor veel gezinnen elke maand niet een zware dobber is. Gemiddeld geeft een Belgisch gezin zo’n 5,77% van haar inkomen aan energie, maar bij de armste 25% van de bevolking is dit meer dan 10%[10].

Tegelijkertijd maken de aandeelhouders van de Belgische energiebedrijven mooie sier. Na jaren van recordwinsten (een winst van 1,2 miljard € in 2012, toen een stijging van 48% in vergelijking met het jaar ervoor[11]) verraste Electrabel in 2013 vriend en vijand door voor het boekjaar 2012 een verlies van 105,7 miljoen € aan te kondigen, het eerste negatieve jaarresultaat voor het bedrijf sinds haar ontstaan[12]. In het kluwen van dochteraannemingen, interne verrekeningen en doorschuivingen van middelen is het onmogelijk om na te gaan hoe de cijfers enkel voor België waren, maar het bedrijf liet wel uitschijnen dat het verlies vooral te maken had met dalende inkomsten in Frankrijk, Duitsland, Engeland en Nederland, terwijl de inkomsten in België wél stegen. Electrabel stelde wel dat de maatregelen die de Belgische regering de voorbije jaren had genomen in de energiesector, zoals de nucleaire rente van 480 miljoen € die het bedrijf betaalde voor het langer openhouden van de kerncentrales, of de bevriezing van de energieprijzen door de regering in 2012. Electrabel vertelt daarbij wel niet dat ze de nucleaire rente fiscaal mag aftrekken, én dat het op haar megawinst in 2012 door creatief boekhouden slechts 12,5 miljoen € vennootschapsbelasting betaalde, een aanslagvoet van 1,05%: slechts een fractie van de officiële aanslagvoet van 33,99%. 

Maar Electrabel bleek nog wel over wat meer zaken te zwijgen bij het neerleggen van haar jaarverslag en jaarrekening. Midden februari 2014 bleek dat het bedrijf middelen had doorgesluisd naar haar moederonderneming GDF Suez. Electrabel kocht haar gas aan bij de holding aan veel te hoge prijzen, waardoor het bedrijf een fictief verlies in de boeken kon schrijven, en dus geen belastingen moest betalen in België[13]. Ook de Belgische gemeenten werden de dupe van de constructie: geen winst betekende voor hen immers ook géén dividenduitkering. Zo werd nogmaals aangetoond hoe het bedrijf door creatief boekhouden systematisch belastingen ontwijkt, of zelfs ontduikt, te hoge prijzen aanrekent voor energie, en haar publieke aandeelhouders oplicht.

De vraag die we ons kunnen stellen is hoe dergelijke zaken kunnen voorkomen worden, zolang het bedrijf in handen blijft van (buitenlandse) privé-aandeelhouders die enkel oog hebben voor hun winstuitkering op het einde van het boekjaar. Officieel voert de regering nu al vele jaren een systematische strijd tegen Electrabel en haar Franse moederholding GDF Suez om te proberen verhinderen dat een kleine minderheid van aandeelhouders massale winsten boekt op de kap van miljoenen gezinnen in ons land. De regering weigert echter het privébezit in de energiesector in vraag te stellen, en weet vaak gewoon niet hoe te reageren op wantoestanden: de fraudeconstructie die Electrabel in 2012 opgezet heeft was bij de regering reeds in september 2013 bekend. Bevoegde ministers Wathelet en Vande Lanotte hadden geen idee hoe ze dit konden aanpakken, en besloten dus te zwijgen.[14] Electrabel “aanpakken” kan blijkbaar alleen als het electoraal loont…

Groene energie en kernuitstap
Enerzijds zijn de grote elektriciteitsproducenten absoluut niet geneigd om de noodzakelijke investeringen te doen in technologieën rond hernieuwbare energie, of om mee te werken aan de afbouw van kernenergie. Investeringen zijn voor kapitalisten enkel interessant indien ze op korte termijn rendement opleveren. De multinationals die de Belgische elektriciteitssector domineren zijn niet geïnteresseerd in de enorme maatschappelijke voordelen van hernieuwbare energie of de kernuitstap. 

Diezelfde bedrijven zullen ook alle middelen die hen ter beschikking staan gebruiken om te vermijden dat ze op een bepaald moment gedwongen worden tot veranderingen. Terwijl in de nasleep van de kernramp in Fukushima over de hele wereld vragen worden gesteld over de veiligheid van kernenergie, lanceert het “Nucleair Forum” begin 2012 in België een groots opgezette mediacampagne onder de noemer “Stoot kernenergie CO2 uit?”. Het Forum is opgericht door bedrijven en organisaties zoals Electrabel, Agoria, Luminus, Synatom en Tractebel, die elk rechtstreeks belang hebben bij een positieve berichtgeving rond kernenergie[15]. Het Forum voert PR-campagnes die de bevolking moeten overtuigen dat kernenergie veilig, proper en goedkoop is. Het Forum blinkt vooral uit in het verspreiden van halve waarheden en dubieuze informatie[16], en treedt zo vooral op als propagandamachine voor de grote traditionele private elektriciteitsproducenten. “Als we niet te beschaamd zijn het te denken, moeten we niet te beschaamd zijn het te zeggen”, zullen ze, Cicero indachtig, bij Electrabel moeten denken…

Maar soms is zelfs dat niet genoeg. In 2012 sloot Electrabel twee centrales (Ruien, Oost-Vlaanderen en Les Awirs, Luik), terwijl op dat moment de discussie over een gebrek aan productiecapaciteit voor elektriciteit in België ten volle liep. De beslissing was des te meer opmerkelijk aangezien Electrabel nauwelijks een week voor de aankondiging van de sluiting een rapport had uitgebracht waarin het waarschuwde voor ernstige stroomtekorten, en zelfs stroompannes vanaf 2014, ten gevolge van de politiek van taksen op energie, en de geplande kernuitstap. Electrabel lijkt hier dus te werken aan een “selffulfilling prophecy”: eerst de productiecapaciteit voor energie afbouwen, om daarna vast te stellen dat de elektriciteitsproductie in België niet kan worden gewaarborgd zonder de kernuitstap uit te stellen.

Maar ook jonge, nieuwe bedrijven, die zich specifiek op die hernieuwbare energiebronnen richten, ontsnappen niet aan de beperkingen die de vrijemarkteconomie bepalen. Dergelijke bedrijven hebben vaak veel opstartkapitaal nodig, terwijl ze pas op langere termijn beginnen renderen. De recente neergang van het Oostendse groene energiebedrijf Electrawinds is typerend: de nieuwe milieuvriendelijke technologieën die het bedrijf gebruikt vragen veel investeringen, maar investeerders komen niet over de brug met de nodige centen wanneer hen geen mooi rendement kan beloofd worden. Bij gebrek aan privé-investeerders zocht het bedrijf haar soelaas bij 137,5 miljoen € investeringen uit publieke middelen[17]. Daarnaast werden ook particuliere spaarders met valse voorwendsels aangezet om te investeren in het bedrijf: zo’n 4.000 gezinnen investeerden via de coöperatieve Groenkracht elk enkele duizenden euro’s, goed voor in totaal 18 miljoen €[18]. Onder meer Testaankoop zette gezinnen aan om te investeren in het bedrijf[19], dat leek gesteund te worden door een hele rits publieke organisaties en politieke kopstukken: SP.a-er Johan Vande Lanotte is dan zelfs voorzitter van het bedrijf: blijvende publieke steun lijkt dus gegarandeerd.

Maar het bedrijf kan de mooie winstperspectieven niet waarmaken. Wanneer het bedrijf eind 2013 in betalingsmoeilijkheden komt, gaan de ballen aan het rollen. Al snel blijkt dat de grote investeerders in het bedrijf ongeoorloofd gespeculeerd hebben, zowel bij Electrawinds zelf (CEO Luc Desender[20]), als bij de zogenaamde “coöperatieve” Groenkracht[21]. Allen probeerden ze vooral hun eigen portefeuille en rendement veilig te stellen, de toekomst van het bedrijf, en van de publieke en kleine aandeelhouders kwam op de tweede plaats. Vandaag wordt het bedrijf dag na dag ontmanteld, en gaan de meest rendabele brokken naar opportunistische investeerders. 

Ook in de zo belangrijke energiesector blijkt het kapitalisme voortdurend op haar eigen limieten te stoten: veelbelovende nieuwe technologieën worden niet toegepast omdat het niet past binnen een strategie van kortetermijnwinsten. Een energiesector in private handen is niet in staat om de steeds ouder wordende kerncentrales te sluiten, en massaal om te schakelen naar alternatieve energiebronnen.

Welk alternatief?
Voor socialisten is het alternatief duidelijk: een volledige (her)nationalisatie van de energiesector, zowel productie, distributie, onderzoek en ontwikkeling in de sector moet in publieke handen worden gebracht. Bij zo’n nationalisatie kan er geen sprake zijn van vergoedingen voor de grote kapitalisten die de sector grotendeels in handen hebben, enkel voor kleine spaarders, op basis van bewezen noden.

Zo’n publieke energiemaatschappij beheert niet enkel de productie en distributie van energie, maar coördineert ook de investeringen en het onderzoek naar nieuwe, milieuvriendelijke technologieën. Aan de consumenten wordt goedkope, of zelfs gratis, energie geleverd, terwijl de winsten van het bedrijf worden geïnvesteerd in onderzoek en ontwikkeling van groene energie. Er komt een plan voor een kernuitstap op korte termijn, waarin de elektriciteitsproductie verzekerd wordt door massale investeringen in hernieuwbare energie.

Het is duidelijk dat zo’n scenario onrealistisch is binnen een kapitalistische economie. Om maar één voorbeeld te geven: via belastingen, taksen en vergoedingen gaan heel wat middelen vanuit de sector naar de verschillende overheden in ons land: vooral de gemeenten hebben deze inkomsten broodnodig voor de openbare dienstverlening. Bij een nationalisatie moet ook hiervoor een oplossing worden gevonden.

De discussie over de nationalisatie van de energiesector is dus slechts een begin van een veel bredere discussie over welke maatschappij waarin we willen leven. Recent publiceerde Forbes haar jaarlijkse ranking van miljardairs: in 2013 vervoegden 268 nieuwkomers dit selecte clubje, dat nu 1.645 individuen telt. Samen bezitten ze 6.400 miljard $, meer dan het BNP van een land zoals Japan[22]. Eerder publiceerde Oxfam reeds een rapport waarin het aanklaagt dat slechts 85 individuen evenveel bezitten als de 50% armsten op aarden (3,5 miljard mensen), het rijkste 1% van de bevolking bezit meer dan 110.000 miljard $, zowat de helft van alle rijkdom op aarde. Het rapport toonde zwart op wit aan dat tijdens de crisis de rijksten alsmaar rijker worden, de armsten steeds armer.[23]

Het mobiliseren via die enorme rijkdommen, om ze te investeren in hernieuwbare energie, maar ook in onderwijs, gezondheidszorg, openbaar vervoer, sociale zekerheid, wetenschap en technologie zou een enorme sociale en technologische vooruitgang teweegbrengen voor de hele wereldbevolking. Laten we komaf maken met het kapitalistisch systeem dat zoiets verhindert, en gaan voor een democratisch socialisme, waarin dat eindelijk mogelijk wordt!


[1] Cijfers Eandis over gemiddelde elektriciteitsfactuur Belgische gezinnen 2012: te vinden op http://www.eandis.be/eandis/klant/k_4285.htm
[3] Nationale Bank: “Nota voor Nota voor de Ministerraad - Analyse van de twee hervormingsvoorstellen: verlaging van de BTW op elektriciteit en verlaging van de loonlasten in de specifieke zones”, door de Expertengroep 'Concurrentievermogen en Werkgelegenheid' (EGCW) - november 2013:
 
http://www.nbb.be/doc/ts/publications/other/Report_GECE_November_2013.pdf, p. 10
[4] Idem, p. 17
[5] Zie uitspraken Alexander De Croo http://www.deredactie.be/cm/vrtnieuws/politiek/1.1770487. De Croo verwijst naar het rapport van de Expertengroep dat hierboven reeds werd geciteerd, maar wij konden in dat stuk geen berekening van de loonkostenvermindering in de privésector terugvinden.
[6] Het gaat hier om alle inkomsten van de Federale Overheid en de Gewesten. Cijfers terug te vinden in het “Fiscaal Memento 2013”, gepubliceerd door de FOD Financiën, te vinden op http://financien.belgium.be/nl/binaries/FiscaalMemento2013_NL_tcm306-216807.pdf
[7] De inkomsten uit BTW worden door de Federale overheid verdeeld tussen de Europese Unie, de federale staat, de gemeenschappen en de sociale zekerheid. Dit gebeurt volgens een vastgelegde verdeelsleutel, de zogenaamde affectatie.
[10] Zie “Energiearmoede in België”, rapport 2011 door de ULB en UA: http://www.mi-is.be/sites/default/files/doc/energiearmoede_in_belgie.pdf
[14] http://de-bron.org/content/belgi%C3%AB-en-de-gemeenten-gerold-door-frankrijk
[16] Zo blijkt de bewering van het Nucleair Forum dat kernenergie minder CO2 uitstoot dan andere productiemethodes niet helemaal te kloppen: http://www.deredactie.be/cm/vrtnieuws/buitenland/Klimaat/1.624882
[17] Investeringen door het Vlaams Gewest (GIMV en PMV) de Federale overheid (FPIM) en de privaat-publieke investeringsmaatschappij (DG infra+).

woensdag 3 juli 2013

Weg met de monarchie, voor een democratisch socialistische republiek!



Het aftreden van koning Albert II kwam niet helemaal als een verrassing. De vele schandalen waarin de Koninklijke familie de voorbije maanden verzeild geraakte deden vermoeden dat een troonsafstand steeds waarschijnlijker werd. Met het aantreden van kroonprins Filip is er echter weinig ruimte voor enthousiasme: het gezicht verandert, het feodale instituut blijft bestaan. 

We zullen ons de komende weken mogen schrap zetten tegenover alle Disney-achtige propaganda rond het koningshuis waarmee de traditionele media ons rond de oren zullen slaan. Welke gekroonde hoofden worden uitgenodigd voor de kroning van Filip, welke kleur zal het kleedje van prinses Elizabeth zijn, welke hoed zal koningin Fabiola dragen, etc.: de kranten zullen snel gevuld zijn.

Als socialisten koesteren we deze romantische gevoelens voor de monarchie niet. Voor ons is het Belgisch koningshuis in de eerste plaats een hopeloos verouderd instituut, een antiek relikwie uit de feodale maatschappij, opgepoetst en aangepast aan het kapitalisme om de belangen en privileges van de kapitalistische elite te helpen verdedigen, in veel gevallen het meest reactionaire deel van die elite.

De Belgische monarchie: een creatie van de burgerij en het imperialisme

De installatie van het Belgisch koningshuis was het resultaat van een akkoord tussen de Belgische burgerij en de belangrijkste imperialistische grootmachten in Europa. Na het congres van Wenen in 1815 vormde België het meest zuidelijke deel van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. België was ook veruit het meest geïndustrialiseerde deel van dat koninkrijk, en kende al vroeg een vrij omvangrijke industriële arbeidersklasse. Het ongenoegen over het autoritaire en elitaire beleid, gekoppeld aan de absolute miserie waarin de meeste arbeiders in die tijd moesten leven, zorgde in de jaren ’20 van de 19de eeuw tot een hele reeks van protesten en spontane acties, die in 1830 uiteindelijk uitmondden in een massale opstand. Arbeiders kwamen massaal de straat op, bezetten fabrieken en openbare gebouwen, en wisten de Nederlandse troepen in Brussel uit de stad te verdrijven. De opstandelingen inspireerden zich op de Franse revolutie uit 1789: Franse vlaggen verschenen overal in het straatbeeld, en de Marseillaise weergalmde doorheen de arbeiderswijken. 

De Belgische burgerij was de opstand in eerste instantie niet goed gezind, maar begreep al snel dat ze de beweging zelf in handen moest nemen om haar eigen positie te kunnen handhaven. Burgermilities werden opgericht om de opstand onder controle te krijgen, en de arbeidersopstand werd omgevormd tot een nationale onafhankelijkheidsstrijd. De burgerij deed enkel symbolische toegevingen aan de beweging: zo werd de traditionele Brabantse horizontale driekleur 90° gedraaid om meer te lijken op de Franse vlag, een revolutionair symbool in de vroege 19de eeuw, maar het gebrek aan een onafhankelijke politieke organisatie van de arbeidersklasse maakte dat de Belgische burgerij de zaakjes al gauw stevig in handen had. 

In de eerste maanden na de opstand was België een republiek, bestuurd door een grondwetgevende vergadering: het Nationaal Congres. De Belgische burgerij bleek echter al snel te zwak om haar eigen boontjes te doppen: een inval van het Nederlandse leger kon uiteindelijk enkel afgewend worden door militaire tussenkomst vanuit Frankrijk. Wanhopig op zoek naar buitenlandse steun kwamen ze onder meer in de open armen van de rijke bankiersfamilie Rothschild terecht. De Rothschilds waren meer dan bereid een handje toe te steken: de rijke ertsvelden in België beloofden interessante investeringsmogelijkheden, maar de bankiers stelden wel een aantal voorwaarden. Eén daarvan was de installatie van een stabiele monarchie die de belangen van het grootkapitaal moest kunnen verdedigen. De Rothschilds waren zelfs zo vrij hun eigen kandidaat-koning naar voren te schuiven: Leopold van Saxen-Coburg-Gotha, een werkloze edelman die zijn tijd verdeelde tussen het Engelse hof van koningin Victoria, en de gokhuizen in Londen. Leopold zelf zat niet te wachten op een koningsbaantje in wat hij een “miezerig landje met middelmatige politici en miserabel weer” noemde, maar had zich door zijn gokverslaving zo diep in de schulden gewerkt, dat hij wel verplicht was om de job aan te nemen: de Rothschilds waren immers bereid zijn schulden af te betalen als hij naar Brussel zou gaan. Koning Leopold I zou echter de rest van zijn leven blijven klagen over de situatie: het oorspronkelijke paleis was te klein en te vuil, en hij vond dat de Belgische grondwet hem te weinig macht toedeelde.

De autoritaire tradities van de Saxen-Coburgs

Dit soort autoritaire grootheidswaanzin zou de Saxen-Coburgs blijkbaar in de genen blijven zitten, ook na generaties van adellijke inteelt. Leopold II werd internationaal bekend als de "Slachter van Congo", ontelbare inwoners van het Centraal-Afrikaanse land verloren een hand of hun leven in opdracht van de koning, die persoonlijk eigenaar was van de gigantische Vrijstaat Congo. Grondstoffen en rijkdommen werden massaal uit het land geplunderd, en met de opbrengst bouwde hij megalomane prestigeprojecten die Brusselse burgerij moesten laten dromen dat ze konden wedijveren met hun Parijse klassegenoten. Koning Albert I gebruikte zijn autoriteit om tijdens de Eerste Wereldoorlog honderdduizenden jonge arbeiders in de gruwel van de loopgraven te jagen, terwijl hijzelf, op veilige afstand van het strijdgewoel, werkte aan zijn imago van "Ridder-Koning". Leopold III had meer dan oppervlakkige sympathieën voor de autoritaire ideeën van het fascisme, en beleefde relatief comfortabele oorlogsjaren als verdacht meegaande "gijzelaar" van de nazi's tijdens de tweede wereldoorlog.

De extreem autoritaire en oerconservatieve denkbeelden van de koninklijke familie (denk maar aan de crisis die Boudewijn in 1993 veroorzaakte door te weigeren zijn handtekening te plaatsen onder de abortuswet) zorgden meermaals voor diepe confrontaties tussen de Belgische arbeidersklasse en de monarchie. Het hoogtepunt van die confrontaties was de “Koningskwestie” na de Tweede Wereldoorlog. Koning Leopold III wilde na de oorlog vrolijk terug keren uit "oorlogsvakantie", maar werd geconfronteerd met één van de grootste protestbewegingen uit de geschiedenis van de arbeidersbeweging: veel arbeiders vonden het onaanvaardbaar dat de koning tijdens de oorlog vrolijk op de thee ging bij Hitler, en daarna in relatief comfortabele omstandigheden in “ballingschap” was gegaan. Deze luxe stond in fel contrast met de ontberingen van de bezetting, en de risico’s die tienduizenden verzetslieden al die jaren hadden gelopen.  De "Koningskwestie" werd uiteindelijk "opgelost" door de troonsafstand van Leopold ten voordele van zijn oudste zoon Boudewijn. Een aantal medestanders van de autoritaire koning uitte hun frustraties over de situatie door enkele weken later de communistische politicus Julien Lahaut te vermoorden, omdat hij tijdens de eedaflegging van koning Boudewijn in het parlement de gevoelens van zovele arbeiders uitdrukte door "Vive la République" te roepen.

Autoriteit van de monarchie onder druk

Meermaals werd de monarchie door de Belgische burgerij als symbool naar voren geschoven van het status-quo in het land. Vaak poogt men deze rol progressief voor te stellen als "de monarchie als behoeder van de eenheid van België", maar in realiteit speelde de koning vooral een rol als verdediger van de elite in de maatschappij. Tijdens de Witte Woede in de nasleep van de Dutroux-affaire in 1996 werd de koning ingezet om het diepgeworteld maatschappelijk ongenoegen af te leiden, en er alle politieke inhoud die het systeem in zijn geheel in vraag stelde weg te duwen. Telkens wanneer een politieke crisis de autoriteit van de traditionele partijen aantast, werd het moreel gezag van de koning uitgespeeld om dat vertrouwen te herstellen.

De voorbije jaren en maanden is dat moreel gezag door een heel aantal schandalen zwaar op de proef gesteld. In tijden van crisis stellen steeds meer mensen zich de vraag bij de hoge kost van monarchie, de royale dotaties en de spilzucht op kosten van de gemeenschap. De koninklijke familie leeft een leven van luxe, paleizen, dure wagens, jachten en privé-vliegtuigen, terwijl de meerderheid van de bevolking haar levensstandaard systematisch ziet aangevallen worden door nieuwe besparingen van de regering. Er zijn ook bedenkelijke financiële constructies die verschillende leden van de koninklijke familie hebben opgezet: de “Stichtingen” van prins Laurent of van koningin Fabiola, die op zoek ging naar constructies om erfenisrechten te ontduiken. De voorbije weken kwam bij al die schandalen ook nog eens de hele kwestie rond Delphine Boël bij, de onwettige dochter van koning Albert II. De halsstarrige, egoïstische en hardvochtige houding van de koning heeft er voor gezorgd dat de vorst bij velen heel wat respect verloren heeft. Vermoedelijk zullen er de komende weken enthousiaste pogingen ondernomen worden om een sprookjessfeer te creëren rond het koningshuis om dat gezag terug te herstellen.

Als socialisten zijn we voor de afschaffing van de monarchie. We gaan echter verder dan een burgerlijk republicanisme. We hebben bijvoorbeeld geen enkele illusie in een burgerlijke republiek, gelijk op welke manier zo’n president dan mag verkozen worden. Wij komen op voor een democratisch socialistische republiek: een maatschappij waarin de financiële sector, openbare diensten en de belangrijkste bedrijven onder democratische controle staan van de bevolking, en waarin de rijkdom die geproduceerd wordt ten dienst kan staan van de behoeften van iedereen. De privileges van de monarchie hebben in zo’n maatschappij geen plaats, evenmin als het winstbejag van de kapitalistische elite in deze maatschappij.

zaterdag 6 april 2013

Over zonnige eilanden en financiële fraude. Welk socialisme voor deze crisis? Deel 1: Cyprus



Hebt u het ook gemerkt? Het duurde even alvorens onze krantencommentatoren begrepen hadden dat er “iets” mis was met het akkoord dat de ministers van financiën in de Eurogroep in de vroege ochtend van zaterdag 16 maart 2013 bereikten. In de eerste instantie was er de euforie over het akkoord: “Cyprus was gered”, de Europese Unie had voor de zesde maal bewezen dat ze de crisis de baas kon. Het was zoals bij de Ronde van Vlaanderen: de eerste reacties van de sportjournalisten op het “billenknijpincident” gingen in de richting van “Sagan is toch een grapjas, hij houdt de moed er in, ondanks het verlies.” Pas nadat het enkele uren boze reacties had geregend over het toch wel onaanvaardbaar seksisme in het gedrag van de jonge wielrenner, werden de commentaren aangepast. Zo ook met Cyprus: eerst was er de euforie, pas veel later kwam er de ontnuchtering.

Er waren nochtans wel wat elementen die wel deden vermoeden dat niet alles in orde was: zo beval de eurogroep de Cypriotische banken meteen om dicht te blijven na de bekendmaking van het akkoord. Bankkantoren bleven dus gesloten, geldautomaten bleven leeg, en online transacties en elektronische betalingen waren onmogelijk, tenminste, in Cyprus zélf, zoals we later zouden leren. Banken die dicht blijven uit angst voor een “bank run”, de laatste keer dat we het zo massaal zagen was in 2001 in Argentinië, toen het land op de rand van de diepste economische afgrond uit haar geschiedenis stond. Niet meteen een teken dus dat alles opgelost was met het akkoord in de eurogroep, wel in tegendeel… 

Duizenden Cyprioten probeerden diezelfde dag tevergeefs geld te bekomen bij hun banken. Eén wanhopige Cyprioot kwam zelfs met een bulldozer aanzetten, klaar om zijn bankkantoor desnoods met brute kracht open te breken. Omstaanders konden hem op het laatste moment tot rede brengen, maar de woede en wanhoop bij de Cyprioten was duidelijk[1]. Die avond was de toon in de media al meteen een stuk anders: bij velen was het doorgedrongen dat het raken aan de banktegoeden van de Cyprioten, vooral dan aan deze van de kleine spaarders, en wel zeer uitzonderlijke daad was. Het voorstel van de eurogroep voorzag immers een éénmalige heffing van 6,75% op de tegoeden onder 100.000€, boven dat bedrag zou zelfs 10% worden afgeroomd. Vooral de heffing op de kleinere spaarders bleek nu plots bijzonder problematisch te zijn…


Paniek als politieke strategie

Waarom was dit zo’n probleem? Burgerlijke commentatoren spraken vooral de vrees uit dat hiermee het “vertrouwen van de kleine spaarders” zou geschaad worden: bij elke redding van een noodlijdende bank werd tot nog toe gegarandeerd dat tegoeden tot 100.000€ veilig waren, en gedekt werden door staatsgaranties. Het snel in beslag nemen van banktegoeden bij een noodoperatie zou betekenen dat niemands geld nog veilig zou zijn. De gevolgen van zo’n situatie zouden niet te overzien zijn: wat zou de reactie zijn van de bevolking zijn als Ierland, Italië, Spanje, Portugal of Griekenland binnenkort nogmaals bij de Trojka moeten langsgaan voor een nieuw reddingsplan? Of wanneer een bank moet gered worden door een nationale overheid, zoals bij Dexia of Fortis gebeurd is? Hoe zeker zouden we dan nog kunnen zijn van onze beperkte spaarcentjes op de bank? Het risico zou groot zijn dat in zo’n situatie de bevolking telkens massaal naar de banken zou hollen om haar geld in veiligheid te brengen. 

Maar ook elders zou zo’n situatie tot protest kunnen leiden: het is immers een slag in het gezicht van al die arbeiders aan wie men jarenlang verteld heeft “het privébezit is heilig”. Hoe moet je een Luikse arbeider nog gaan wijsmaken dat Laksi Mittal nu eenmaal niet kan dwingen om “zijn privé-bezit”, de fabriek in Luik, over te laten aan de overheid, terwijl een Cypriotische arbeider die zijn zuurverdiende spaarcentjes jarenlang trouw op de bank heeft gezet, hier plots 6,75% van zal verliezen, alleen maar omdat zijn bankier achteraf bekeken niet te betrouwen bleek? Zoiets haalt het hele ideologische fundament van het kapitalisme onderuit. 

En dus begon de “Eurogroep” een rondje zwartepiet te spelen. “Neen”, zei de Trojka, “dit plan kwam niet van ons: het zijn de Cyprioten zélf die het hebben voorgesteld, wij dragen geen verantwoordelijkheid.” Al snel bleek dit een leugen te zijn, op 19 maart publiceerde de Maltese minister van financiën, Edward Scicluna, een heel ander relaas: hij bracht uit eerste hand verslag uit van de dramatische vergadering van de eurogroep tijdens die nacht van vrijdag op zaterdag[2], en uit zijn relaas bleek dat het vooral de grote eurolanden waren die de Cyprioten de arm hebben omgewrongen om de deal te aanvaarden, anders was het gedaan met het euro-lidmaatschap voor de eilandstaat. De tactiek die werd toegepast is ook typisch voor de trojka van de EU, IMF en de ECB: een lidstaat in moeilijkheden vraagt steun, maar krijgt die alleen maar in ruil voor een dramatisch besparingsplan, waarbij de bevolking van dat land generaties achteruit wordt geworpen door keiharde besparingen. Het is dus logisch dat de Cypriotische president niet veel zien had de zwartepiet zomaar bij te houden: al snel beweerde hij dat alles de schuld was van de vorige “communistische” AKEL-regering in Cyprus, die het voorgestelde plan zou bedacht hebben. Het is dan ook niet opmerkelijk dat het Cypriotische parlement op dinsdag 19 maart het plan unaniem verwierp: 36 leden stemden voor, 19 onthielden zich, en niemand durfde voor een akkoord te stemmen dat slechts  dagen eerder als het ultieme reddingsplan was bestempeld door de hele politieke klasse.

Het is onmogelijk vandaag te achterhalen wie als eerste met het idee kwam om een heffing door te voeren op de kleine spaartegoeden. Het is goed mogelijk dat de schuldige in het Cypriotische kamp zat, maar we mogen niet vergeten dat de Eurogroep wel voluit akkoord ging: de schuld is dus minstens gedeeld.  Het relaas van minister Scicluna leert ons hoe vooral de Duitse regering aandrong op absolute garanties dat ook Cyprus haar deel van de reddingskost zou betalen, en dat zonder talmen. Het bereikte akkoord leek voor iedereen het best te beantwoorden aan die voorwaarde.


Een tijdbom voor Cyprus

Vanuit het standpunt van de Trojka is het Cypriotische “reddingsplan” ook wel logisch: ondertussen heeft de besparingsdriehoek ook wel al door dat het beslissen van harde besparingen één zaak is, het uitvoeren ervan is een heel andere zaak. Vaak blijkt de arbeidersklasse van het getroffen land iets minder uit makke lammetjes te bestaan dan werd aangenomen of gehoopt. In Griekenland leidde het uiteindelijk tot de wanhoopspoging van voormalig eerste minister Papandreou om na de maandenlange protesten  tegen het besparingsbeleid een referendum voor te stellen. “Ho maar,” riep de Trojka: Papandreou werd geliquideerd, en een onverkozen regering van technocraten bleek de enige manier om de besparingen verder te zetten. Hetzelfde in Italië: zelfs een rechts-autoritair politicus als Berlusconi moest erkennen dat een jarenlange strijd tegen de arbeidsbeweging in zijn land geen evidentie is, en ook hij gooide de handdoek in de ring. De Trojka had de smaak nu toch te pakken, en ook Italië kreeg een onverkozen regering: democratie bleek echt wel een zeer relatief begrip te zijn, daar in Trojkaland. In Spanje zit de elite met een enorm imagoprobleem: corruptieschandalen van het koningshuis tot in de partij van eerste minister Rajoy hebben er voor gezorgd dat de rechtse PP-regering nog maar weinig autoriteit heeft om de besparingen door te voeren. In Portugal lijkt het protest tegen de besparingen ondertussen proporties aan te nemen die doen denken aan de strijd tegen de dictatuur in 1974: Portugese politici worden overal waar ze komen begroet met het lied “Grandola Vila Morena”, een strijdlied uit de Anjerrevolutie. Zó problematisch liggen de besparingen daar, dat zelfs het hooggerechtshof vond dat het genoeg geweest was, en de plannen van de Trojka ongrondwettelijk verklaarde. 

Zo’n getalm zou de Trojka in Cyprus dus niet dulden. De vorige Cypriotische AKEL-regering, onder de “communistische” president Christofias, had  trouwens al veel tijd verloren door niet onvoorwaardelijk akkoord te gaan met de besparingen die de Trojka wilde opleggen. Niet dat AKEL niet akkoord was met het principe van met besparen op kap van de werkende bevolking: ze had tenslotte zelf al een aanval ingezet op de lonen en arbeidsvoorwaarden in het land. Marxisme was voor AKEL al lang verwaterd tot slechts een vage boodschap voor op de 1-meistoet, de rest van het jaar moest er bespaard worden om het kapitalisme te redden. Alleen, AKEL begreep nog net genoeg dat een zwaar besparingsprogramma zoals in Griekenland desastreuze gevolgen zou hebben voor Cyprus, en – misschien nog belangrijker – voor de positie van AKEL zelf[3]. Christofias liet de Trojka dus weten dat hij enkel akkoord zou gaan met “geleidelijke besparingen”, en dus bleven de onderhandelingen maar aanslepen.

De kans is dus groot dat in de bureaus van het IMF en de ECB de champagnekurken geknald hebben toen de rechtse Nicos Anastasiades op 24 februari 2013 de verkiezingen won: zijn partij DISY had immers beloofd om snel tot een akkoord te komen met de Trojka over een reddingsplan voor Cyprus, hoewel hij er ook aan had toegevoegd dat hij geen heffing op spaartegoeden in zijn land zou aanvaarden. Michael Sarris, zijn financiënminister, kreeg de onbenijdenswaardige taak om dát standpunt maar eens te gaan voorleggen aan de Eurogroep… Slechts één nacht was er nodig om de verkiezingsbelofte over de heffing overboord te gooien, en het desastreuze plan voor Cyprus was een feit.

De gebeurtenissen in de weken na het akkoord waren ronduit beschamend voor de EU, het IMF en de Cypriotische regering. Minister voor Financiën Michael Sarris werd in allerijl naar Moskou gestuurd, in de hoop daar op steun te kunnen rekenen. Cyprus had zich de voorbije jaren echter al te veel als belastingsparadijs voor Russische miljardairs geprofileerd, en dus was de wil van de Russische regering om tussen te komen  eerder gering. Rusland zou enkel iets doen voor de eigen bedrijven in Cyprus, maar was niet van plan veel mee te betalen aan een reddingsplan[4].  Uiteindelijk volgde een nieuw akkoord, waarbij de tegoeden tot 100.000€ werden gered, grotere spaarders en speculanten moesten echter het gelag betalen. Laiki Bank, de tweede grootste bank van het land, die virtueel failliet was gegaan na speculatie in Griekenland, wordt opgedoekt, tegoeden boven 100.000€ bij deze bank komen te vervallen[5]. Verder zal Cyprus een beleid voeren van besparingen en belastingsverhogingen, hoewel de deadline voor deze maatregelen wel werd versoepeld[6].


Cyprus: poging tot Trojka-socialisme?

Diegenen die echter dachten dat in Cyprus nu eindelijk toch de superrijken en de speculanten mee zouden mogen opdraaien voor de crisis, waren er aan voor de moeite. De dag nadat het tweede reddingsplan voor Cyprus werd afgesproken, bleek dat de meeste grote speculanten al lang gaan vliegen waren. Terwijl in Cyprus de banken dicht bleven, en het elektronisch betaalverkeer stillag, konden de superrijke speculanten vrolijk naar Londen of Moskou vliegen, om daar in de lokale kantoren van Cypriotische banken hun geld over te laten schrijven naar veiliger oorden. Op het moment dat de Eurogroep besloot tot de ontmanteling van Laiki Bank, waren de kassen van die bank al lang leeggeroofd door de Russische oligarchen. Meer dan 20 miljard hadden zij staan in Cyprus, een derde van de totale banktegoeden in het land, het grootste deel daarvan was nu verdwenen[7].

Terwijl de “gewone” Cyprioten dus 9 dagen lang in het ongewisse bleven over wat er met hun spaartegoeden zou gebeuren, en slechts net voldoende cash geld konden afhalen om te overleven, verdween het geld met miljarden tegelijk naar de off-shorerekeningen van de superrijken. De Trojka had een precies zicht over de tegoeden bij Cypriotische banken, en wist precies hoe ze te blokkeren, maar liet na om de achterdeur te sluiten voor de rijkste speculanten. Was het complete incompetentie, of was het een bewuste nalatigheid om de elite opnieuw de dans te laten ontspringen: onmogelijk te zeggen. Eén ding is duidelijk: het zullen opnieuw de Cypriotische en Europese arbeidersklasse zijn die zullen opdraaien voor deze crisis. Diegenen die ze veroorzaakten door onverantwoorde speculatie, zijn al lang gaan vliegen.

De situatie in Cyprus heeft aangetoond dat het in principe zeer eenvoudig is om internationale banktransacties te kennen, en te blokkeren. Dat dit niet gebeurd voor de speculanten, belastingontduikers en fraudeurs heeft eerder te maken met een gebrek aan politieke wil dan met technische beperkingen. Het motto van de Trojka dat “iedereen solidair zijn deel van de crisis moet betalen” is vooral propaganda om de arbeidersklasse haar deel te laten betalen, om dan te merken dat de elite staat te grijnzen dat haar geld al lang elders verstopt is. Het oorspronkelijke idee om “iedereens banktegoeden” te laten bijdragen voor de crisis in Cyprus was vooral bedoeld om de arbeidersklasse snel de rekening te laten betalen, de superrijken waren toen al volop bezig zich opnieuw te redden. 

Vermoedelijk bevinden heel wat Cypriotische miljarden zich ondertussen al lang in andere belastingsparadijzen op de Kaaimaneilanden, de Maagdeneilanden, of andere tropische vrijhavens voor het grootkapitaal. Morgen gaan we in een tweede deel dan ook in op de hetze die deze week ontstond rond de publicatie van de lijsten met superrijken en multinationals die verdachte transacties deden met deze belastingparadijzen…


 [3] Over de positie van AKEL, lees vooral ook het artikel nav. de verkiezingen in Cyprus op de LSP-website: http://www.socialisme.be/lsp/archief/2013/03/04/cyprus.html, of de vele artikels van onze Cypriotische kameraden op http://www.socialistworld.net/view/68